Slaaponderzoek (polysomnografie): zo werkt het
Van voorbereiding tot uitslag — wat er tijdens een nacht in het slaaplab gebeurt en welke informatie het oplevert

Je bent verwezen voor een slaaponderzoek — misschien vanwege verdenking slaapapneu, therapieresistente slapeloosheid, onverklaarbare dagslaperigheid of vreemde bewegingen 's nachts. Voor de meeste mensen is dat een stap in het onbekende: een nacht met tientallen draadjes op het hoofd, een kamer die niet je eigen is, en de vraag of je überhaupt zult slapen. Die angst is begrijpelijk, maar goeddeels ongegrond. Slaaptechnici doen letterlijk duizenden onderzoeken per jaar; de procedure is ingesleten, comfortabeler dan het eruit ziet, en je slaapt vrijwel altijd voldoende voor een goede meting.
Deze gids legt uit wat een slaaponderzoek precies is, welke varianten er bestaan (van klein thuisonderzoek tot volledige polysomnografie), hoe je je voorbereidt, hoe de nacht verloopt, wat er gemeten wordt en welke informatie je eruit krijgt. Aan het einde begrijp je de getallen in je uitslagrapport — en kun je als gesprekspartner met je somnoloog praten in plaats van afhankelijk te zijn van uitleg ter plekke.
Op slaapkliniekindebuurt.nl vind je een slaapkliniek in jouw regio — van Amsterdam en Rotterdam tot Breda, Almere en Tilburg.
Waarom een slaaponderzoek?
Onderliggende vraag bij elk slaaponderzoek is: wat gebeurt er objectief tijdens jouw slaap? Zelfrapportage en anamnese zijn waardevol maar notoir onbetrouwbaar. Mensen met slaapapneu voelen hun ademstops niet; mensen met insomnia onderschatten vaak hun werkelijke slaaptijd; bij kinderen is er letterlijk geen betrouwbare zelfrapportage. Een objectieve meting met EEG, ademhaling en zuurstof geeft de somnoloog de data die nodig is om niet alleen of er een probleem is vast te stellen, maar ook welk probleem en hoe ernstig.
Onderzoek is niet altijd nodig. Voor de meeste vormen van insomnia volstaat anamnese plus vragenlijsten — zie onze gids over slapeloosheid behandelen. Maar bij verdenking slaapapneu, verdenking narcolepsie, parasomnieën bij volwassenen, onverklaarbare hypersomnolentie of therapieresistente klachten: dan is objectieve meting de enige weg naar een juiste diagnose.
Typen slaaponderzoek
Vier hoofdtypen, op volgorde van complexiteit. De somnoloog kiest op basis van je klachten welk type bij jou past.
- Polygrafie (PG) — eenvoudig ambulant onderzoek, één nacht thuis, beperkt aantal sensoren. Voor slaapapneu-screening.
- Polysomnografie (PSG) — gouden standaard. Eén nacht in het slaaplab, volledige sensorset. Voor complexe vraagstellingen.
- Multiple Sleep Latency Test (MSLT) — overdagmeting, dag na een PSG. Specifiek voor narcolepsie en hypersomnie.
- Actigrafie — één tot twee weken polsbandje dragen. Voor slaap-waakritme en circadiane stoornissen.
Niet elke slaapkliniek biedt alle varianten. Grote academische centra doen MSLT en MWT; kleinere ZBC's richten zich vaak op polygrafie en CPAP-titratie voor slaapapneu. Bij complexe klachten is een groot centrum aangewezen.
Voorbereiding thuis
Een paar dagen voor je onderzoek ontvang je een informatiebrief. Samengevat:
Dag voor het onderzoek
- Geen cafeïne na 12:00 — koffie, thee, cola, chocolade. Ook geen energiedrank, pre-workout of gewichtsverliesmiddelen.
- Geen alcohol de hele dag. Alcohol onderdrukt REM en maakt de meting onbetrouwbaar.
- Geen dutjes overdag. Je wilt 's nachts slaapdruk hebben opgebouwd.
- Normaal eten. Geen zware maaltijd vlak voor bedtijd; lichte avondmaaltijd 2–3 uur voor inchecken.
- Geen lotions of haargel op de onderzoeksdag — sensoren plakken slechter.
- Was je haar met een milde shampoo, géén conditioner en géén uitstel tot na het wassen van laatste styling product.
Medicatie
Standaard: neem je vaste medicatie zoals je gewoon doet, tenzij specifiek anders geïnstrueerd. Bij MSLT-onderzoek worden sommige middelen (SSRI's, amfetaminen, modafinil) vaak 1–2 weken vooraf gestaakt omdat ze REM onderdrukken. Dit altijd in overleg met je verwijzer en onder begeleiding; nooit op eigen houtje stoppen.
Wat neem je mee?
- Pyjama of makkelijk slaapshirt (geen strakke kraag die sensoren verplaatst).
- Toiletspullen (de kamer heeft een eigen douche bij de meeste centra).
- Boek of rustige e-reader (niet je laptop voor werk).
- Oorploppen als je gevoelig bent voor omgevingsgeluid.
- Eigen kussen als je daar op gesteld bent — de meeste centra staan dat toe.
- Legitimatie, zorgpas, medicatielijst.
- Slaapdagboek van de afgelopen twee weken.
De nacht in het slaaplab
Een typische gang van zaken:
20:00 — Inchecken
Je meldt je bij de polikliniek of slaapcentrum. Intake met de slaaptechnicus: korte anamnese hoe je je voelt, welke medicatie je nam, eventuele laatste vragenlijsten. Je krijgt je kamer — doorgaans eenpersoonskamer met eigen badkamer, bed, een nachtkastje en een camera/microfoon die video en geluid registreert gedurende de nacht.
20:30 — Sensoren aanbrengen
Dit is het meest tijdrovende onderdeel — reken op 45 tot 60 minuten. De technicus:
- Meet je hoofd op en markeert de standaardposities (10–20-systeem) voor EEG-elektrodes.
- Reinigt de huid op elke plek en brengt geleidende pasta aan, met daarop kleine kopelektrodes.
- Plakt elektrodes aan oren, kin, wangen (EOG/EMG), borst (ECG) en scheenbenen (EMG).
- Bevestigt een borstband en buikband om ademhalingsbewegingen te registreren.
- Brengt een neuscanule aan voor luchtstroommeting, en een klein vingerclipje voor zuurstofsaturatie.
- Soms: een snurkmicrofoon op de keel, een positiesensor op de borst.
Het voelt gek maar doet geen pijn. Na ongeveer tien minuten went het. Vraag gerust om een pauze of aanpassing als iets echt vervelend zit — het is prettig voor de technicus om het comfortabel te hebben, want de kans op een goede meting stijgt dan.
21:30 — Kalibratie
Een korte test: je technicus vraagt om je ogen naar links en rechts te bewegen, diep adem te halen, je been op te tillen. Dit verifieert dat alle sensoren werken. Eventueel wordt een sensor opnieuw geplakt.
22:00–23:00 — Naar bed
Je kunt nog even lezen, naar het toilet, wat water drinken. Vóór het licht uit gaat, vraagt de technicus je in welke positie je gewoonlijk inslaapt. De camera wordt aangezet, de technicus bewaakt je nacht vanuit een aangrenzende ruimte — zij zien je meting live, en kunnen ingrijpen als een sensor losraakt.
Tijdens de nacht
Als je naar het toilet moet, druk je op een intercom-knop; de technicus koppelt de sensoren tijdelijk los, na terugkomst weer aan. De meeste mensen gaan één keer naar het toilet; bij mannen boven de 50 vaker. Dit verstoort de meting nauwelijks.
07:00 — Einde meting
De technicus komt je wekken (of je bent al wakker), haalt alle sensoren los, je kunt douchen. Ontbijten gebeurt meestal niet in het centrum — je vertrekt rond 7:30 en kunt direct terug naar huis of werk.
Slaap je wel?
De klassieke angst. Praktisch: circa 90% van de patiënten slaapt voldoende voor een betrouwbare meting (minstens 3 uur totale slaap met een paar volle slaapcycli). De "first night effect" — slechter slapen door onbekende omgeving — is reëel maar veelal mild: de gemeten slaap is gefragmenteerder dan thuis, maar pathologie (apneu, bewegingsstoornissen) is even zichtbaar. Bij ernstige slapeloosheid of als eerste nacht te weinig data geeft, wordt soms een tweede nacht ingepland.
Wat wordt er gemeten?
Een volledige PSG registreert zeven tot tien parallelle kanalen per seconde. Samen leveren ze een minuut-voor-minuut beeld van je slaap:
- EEG (hersenactiviteit) — onderscheidt slaapstadia wakker, N1 (lichte slaap), N2, N3 (diepe slaap) en REM.
- EOG (oogbewegingen) — identificeert REM-slaap (snelle oogbewegingen).
- EMG kin — spierspanning, daalt sterk in REM.
- EMG scheenbenen — detecteert periodieke beenbewegingen (PLMD).
- ECG — hartritme, ritmestoornissen.
- Ademhalingsstroom (neuscanule of thermistor) — stilstand = apneu; reductie = hypopneu.
- Borstband en buikband — onderscheidt obstructieve van centrale apneu.
- Zuurstofsaturatie (SpO₂) — meet zuurstofdalingen; 3% desaturatie is significant.
- Snurkmicrofoon — registreert snurkintensiteit.
- Positiesensor — rug/zij/buik, belangrijk voor positieafhankelijke apneu.
- Video en audio — voor parasomnieën, epilepsie, bewegingspatronen.
De data wordt door een slaaptechnicus handmatig gescoord (per 30-seconde-epoch) en daarna door de somnoloog beoordeeld. AI-gebaseerde auto-scoring versnelt dit, maar menselijke beoordeling blijft standaard om fouten te corrigeren en subtiele patronen te vangen.
Polygrafie thuis
Een polygrafie is een ingekorte versie van de PSG die je thuis uitvoert. Ideaal voor screening op slaapapneu bij mensen met een duidelijke klinische verdenking, zonder complexe comorbiditeit.
Wat je krijgt mee
Een kastje ter grootte van een kleine walkman, met daaraan:
- Een neuscanule (dun plastic slangetje onder je neus).
- Een borstband met ademhalingssensor.
- Een vingerclip of pulse-oximeter voor SpO₂.
- Soms: een keelsensor voor snurken en een positiesensor.
Geen EEG, geen EMG, geen oogbewegingen. Je weet dus niet hoe lang je écht geslapen hebt — alleen hoe lang het apparaat "aan" was. Daarom rekent de somnoloog met "indexen per uur apparaat-tijd" in plaats van "per uur slaap".
Voordelen en beperkingen
Voordelen: eigen bed, geen hele nacht weg, korte wachttijd, lage drempel. Beperkingen: mist arousal-index, geen informatie over slaapstadia, kan centrale apneu soms moeilijker onderscheiden van obstructieve. Bij twijfel volgt alsnog een PSG.
Praktische tips
- Ga slapen zoals je altijd doet — geen speciale positie innemen.
- Slaap alleen als je ook alleen slaapt; anders slaap met partner zoals normaal.
- Zet het apparaat aan vlak voor het licht uit gaat.
- Bij losraken van de canule 's nachts: niet stressen. 's Ochtends noteren en aan de technicus doorgeven.
- Breng het apparaat de ochtend na de meting terug op de afgesproken tijd.
MSLT en MWT
Twee dagonderzoeken die specifieke vragen beantwoorden.
Multiple Sleep Latency Test (MSLT)
Gebruikt om narcolepsie objectief vast te stellen. Volgt altijd op een PSG (anders kun je slaapapneu of onvoldoende nachtslaap niet uitsluiten als oorzaak van dagslaperigheid). Procedure:
- Vijf gelegenheden om een hazenslaap te doen, met twee uur ertussen (bijvoorbeeld 9:00, 11:00, 13:00, 15:00, 17:00).
- Per gelegenheid mag je 20 minuten proberen in slaap te vallen.
- Gemeten worden: hoe snel je inslaapt (latentie) en of je in REM komt.
Narcolepsie type 1: gemiddelde inslaaptijd < 8 minuten, en in minstens 2 van 5 pogingen REM binnen 15 minuten ("sleep-onset REM periods", SOREMP). Verplichte aanvullingscriteria zoals cataplexie of verlaagde orexine in liquor gelden daarnaast.
Zie onze gids over narcolepsie voor meer achtergrond.
Maintenance of Wakefulness Test (MWT)
Meet het tegenovergestelde: hoe goed kun je wakker blijven als de situatie saai is? Vier pogingen van 40 minuten in een verduisterde, comfortabele stoel, met instructie "probeer wakker te blijven". Gebruikt voor keuringen (CBR, pilootkeuring) en voor therapie-evaluatie bij hypersomnolentie. Een gemiddelde inslaaptijd > 30 minuten over de vier sessies is normaal.
Actigrafie voor ritmestoornissen
Een klein polsbandje (groter dan een smartwatch, kleiner dan een hartslagmeter) met versnellingsmeter en lichtsensor. Je draagt het één tot twee weken, dag en nacht. Het meet rust-activiteit en licht — daaruit reconstrueert software je slaap-waakritme.
Wanneer zinvol
- Circadiane ritmestoornissen: delayed sleep phase syndrome (teenagers), advanced sleep phase (ouderen), niet-24-uurs ritme.
- Shiftwerk-slaapstoornis.
- Slaapmisperceptie bij insomnia: objectief vastleggen hoe lang je écht slaapt.
- Evaluatie van behandeling: bijvoorbeeld of lichttherapie je ritme verschuift.
- Bij kinderen: minder belastend dan PSG, toch objectief ritme in kaart.
Beperkingen: kan geen specifieke slaapstadia onderscheiden, minder betrouwbaar bij zeer onrustige slapers of bij mensen met beperkte beweging. Niet bedoeld om slaapapneu vast te stellen.
Je uitslagrapport begrijpen
Twee tot drie weken na je onderzoek krijg je een afspraak om de uitslag te bespreken. Het rapport bevat meerdere getallen. De belangrijkste:
Slaapefficiëntie
Percentage van de tijd in bed dat je daadwerkelijk sliep. Gezonde volwassenen: > 85%. Lager duidt op fragmentatie of insomnia.
Slaaplatentie
Tijd van licht uit tot eerste slaap. Normaal 10–20 minuten. < 5 minuten: verhoogde slaapdruk (onvoldoende nachtslaap); > 30 minuten: inslaapinsomnia-profiel.
Slaapstadia-verdeling
Percentage tijd in N1 (5%), N2 (45–55%), N3 (15–25%), REM (20–25%). Afwijkingen zijn vaak subtiel, maar bijvoorbeeld erg weinig REM kan wijzen op depressie of medicatie-effect.
Apneu-hypopneu-index (AHI)
Zie onze uitgebreide uitleg in de slaapapneu-gids. < 5 is normaal, 5–15 mild, 15–30 matig, > 30 ernstig.
Zuurstofsaturatie
Gemiddelde saturatie (normaal > 94%) en percentage van de nacht < 90% (T90). Een T90 boven de 10% is klinisch relevant.
Arousal-index
Aantal micro-arousals per uur — korte ontwakingen uit diepere slaapfasen. Normaal < 10/uur; verhoogd bij slaapapneu en RLS.
PLM-index
Periodieke beenbewegingen per uur. > 15/uur bij volwassenen is significant.
Positie-afhankelijkheid
AHI in rugligging versus zijligging. Een groot verschil (bijvoorbeeld 35 in rug, 8 in zij) opent de deur naar positietherapie in plaats van CPAP.
Wat gebeurt er na het onderzoek?
Afhankelijk van de uitslag:
- Geen afwijkingen: geruststelling. Soms nog advies over slaaphygiëne of doorverwijzing naar psycholoog voor insomnia-traject.
- Slaapapneu gevonden: behandeladvies. Bij matig/ernstige OSA meestal CPAP — eerst titratie-nacht of auto-CPAP thuis om drukniveau te bepalen. Zie CPAP-therapie gids.
- Narcolepsie of hypersomnie: aanvullend onderzoek (liquoronderzoek voor orexine bij verdenking type 1), daarna gerichte medicatie.
- Parasomnie of epilepsie: neurologische vervolgdiagnostiek; soms EEG-monitoring over meer nachten.
- PLMD of RLS: ijzermeting (ferritine < 75 µg/L is behandelindicatie), eventueel dopamine-agonist of alfa-2-delta ligand.
- Onduidelijke uitslag: tweede nacht PSG of uitgebreider multidisciplinair overleg.
Controles na behandelstart lopen door, met herhalingsonderzoek als de therapie niet voldoende werkt. Voor CPAP zijn uitlees-sessies vaak via remote monitoring: de kliniek ziet je therapiedata op afstand zonder dat je hoeft langs te komen.
Veelgestelde vragen
Moet ik een hele nacht blijven voor een slaaponderzoek?
Bij een polysomnografie in het lab: ja, ongeveer 20:00 tot 7:00. Bij een thuispolygrafie slaap je in je eigen bed en breng je het apparaat de volgende ochtend terug. Welk type onderzoek bij je klacht past, bepaalt de somnoloog op basis van de intake. Voor een eerste screening op slaapapneu is vaak een thuismeting voldoende.
Mag ik tijdens het onderzoek naar de wc?
Ja, zonder probleem. Je drukt op de intercom, de technicus koppelt tijdelijk enkele sensoren los, je gaat naar het toilet, en na terugkomst worden ze weer aangesloten. De onderbreking duurt 5–10 minuten en heeft geen invloed op de totale meting. Één à twee keer per nacht is normaal en wordt ingepland.
Wat als ik niet kan slapen in het slaaplab?
Minder slapen dan thuis komt vaak voor — de "first night effect". Maar zelfs 2–3 uur slaap is meestal voldoende voor de diagnose van slaapapneu, omdat die zich in elke slaapcyclus manifesteert. Bij ernstig kort slapen kan de kliniek een tweede nacht inplannen of overstappen op een andere methode zoals thuispolygrafie.
Kan ik mijn medicatie blijven nemen?
In principe ja — neem je vaste medicatie zoals gebruikelijk, tenzij de kliniek specifiek anders aangeeft. Bij MSLT-onderzoek (narcolepsie) worden sommige middelen weken vooraf afgebouwd omdat ze REM onderdrukken. Dit gebeurt altijd in overleg en onder begeleiding. Meld al je medicatie en supplementen bij de intake.
Hoe lang duurt het voor ik de uitslag krijg?
De meting duurt één nacht, maar de analyse neemt tijd: een technicus scoort handmatig elke 30-seconde-epoch, de somnoloog interpreteert, en het rapport wordt geschreven. Gemiddelde doorlooptijd: 2–3 weken. Daarna krijg je een afspraak voor uitleg en behandelvoorstel. Bij acute klachten kan dit korter.
Doet het plakken van de sensoren pijn?
Nee. De huid wordt licht geschuurd om goed contact te maken, wat een beetje prikkelt, maar doet geen pijn. Bij mensen met gevoelige huid of eczeem kan de plakpasta irritatie geven. De scheenbeen-EMG vraagt iets meer tijd omdat het haar eerst moet worden gewassen. Na het verwijderen van de sensoren blijft soms een beetje plakresten achter — met warm water en shampoo uit te wassen.
Kan een slaaponderzoek ook bij kinderen?
Ja, maar wordt gedaan in gespecialiseerde pediatrische slaapcentra. De techniek is identiek, maar de interpretatiecriteria verschillen (bijvoorbeeld strengere AHI-grens: > 1/uur bij kinderen is afwijkend). Vaak neemt een ouder apart in dezelfde kamer plaats. Het onderzoek wordt zo ingepland dat de avond- en ochtendroutine van het kind zo normaal mogelijk blijven.
Conclusie
Een slaaponderzoek is minder belastend dan het op het eerste gezicht lijkt. De apparatuur voelt vreemd maar raakt snel gewend, de slaaptechnici zijn getraind om je comfortabel te houden, en de meeste patiënten slapen voldoende voor een goede meting. Aan de andere kant is de opbrengst groot: een objectief beeld van wat er tijdens jouw slaap gebeurt, vaak het verschil tussen jaren blijven dwalen en een gerichte behandeling die werkt.
Lees je medische rapport niet alleen — ga altijd in gesprek met je somnoloog over wat de getallen bij jou betekenen. Een AHI van 12 bij iemand met forse klachten is iets anders dan 12 bij iemand zonder klachten; de arousal-index kan belangrijker zijn dan de AHI; de positie-afhankelijkheid bepaalt vaak welke therapie je kiest.
Vind een slaapkliniek bij jou in de buurt — filter op type onderzoek (polysomnografie, MSLT, actigrafie, pediatrisch) en vergelijk wachttijden.

